Na de Eerste Wereldoorlog werd in 1919 de Siegertitel weer verleend aan Dolf von Düsternbrook, die een van de eerste topreuen was die dikwijls gigantische bedragen naar Amerika werden verscheept. En velen zouden hem nog volgen. Dolf bleek daar een teleurstellende vaderhond te zijn. Gezien zijn afkomst was het niet verrassend dat zijn nakomelingen veel karakterproblemen hadden. In 1923 schreef Von Stephanitz daarover:'De in Dortmund getoonde nakomelingen van Dolf waren gemiddeld goed en krachtig gebouwd, maar helaas, helaas vanwege hun karakter niet aan te bevelen.'
Het was de Sieger van 1922 en 1923 Cito Bergerslust die al op een leeftijd van 17 maanden van zich liet horen. Hij werd in de jeugdklasse met de kwalificatie Uitmuntend beloond, hetgeen alom sensatie bracht. Cito was wat algemene bouw betreft een uitmuntende hond waarvan veel werd verwacht. Maar ook hij stak als zoveel andere honden de Atlantische Oceaan over om daar Amerikaans Kampioen te worden.
Voor het eerst in de geschiedenis van de Duitse Herdershond zou een teef drie achtereenvolgende jaren tot Siegerin worden verkozen. Het was Asta von der Kaltenweide die Siegerin 1922, 1923 en 1924 werd. Zij was een dochter van de Sieger 1920 Erich von Grafenwerth en had als moeder Flora von Oeringen, die uit dezelfde combinatie kwam als de eerste genoemde filmhond Strongheart (Etzel von Oeringen) die in Amerika zulke grote successen boekte.
Sieger 1924 werd de geheel zwarte Donar vom Overstolzen, die net als een aantal van zijn nestgenoten naar Engeland en Amerika werd verkocht. Donar was een 67 cm grote reu en zijn nestbroer Dolf was zelfs 68,5 cm hoog. Zijn vader was de hond met een Nederlandse Kampioenschapsprijs Orpal von grünen Eck en zijn moeder was een dochter van Erich von Grafenwerth. Het hele nest vertegenwoordigde het verouderde type Duitse Herdershond, dat eigenlijk al minder gewild begon te raken en plaats moest maken voor kleinere, meer gedrongen honden. Donar werd als Sieger echter behoorlijk veel voor de fokkerij gebruikt, waardoor hij mede verantwoordelijk was voor een nog grotere stijging van het percentage inteelt, met als gevolg grote problemen in de fokkerij. De meeste honden waren te hoog en te lang, hadden gebitsgebreken en toonden vooral karakterzwakte.
Veel honden uit die tijd misten substantie, stonden te hoog op de benen en hadden andere problemen, zodat de hele fokkerij van Duitse Herdershonden zorgelijk was. Dit werd door de leidinggevende personen binnen de S.V. aangegrepen om in 1925, voorafgaand aan de jaarlijkse Duitse Herdertentoonstelling (die overigens Siegerhauptzuchtschau wordt genoemd) een bijeenkomst van de meest gezaghebbende personen binnen de Duitse Herdershondenfokkerij te organiseren.
Door de fokkers en exposanten werd dan ook met veel spanning uitgekeken naar de sieger van dat jaar, omdat die hond het toekomstige type van de Duitse Herdershond zou gaan bepalen. Er was dat jaar meer dan ooit belangstelling uit binnen- en buitenland voor de keuring van de reuen, en de spanning was te snijden. Na zeer lang draven tijdens de eindkeuring kwam een niet te grote hond steeds verder naar voren en het was deze hond, Klodo vom Boxberg, die door Von Stephanitz als Sieger 1925 werd aangewezen. Klodo was een zoon van Erich von Grafenwerth en in de verte ingeteeld op Hettel Uckermark.Maar hij was een heel ander type dan de vorige Siegers, want hij was met zijn 61,5 cm veel kleiner, langer en lager dan de honden die aan hem voorafgingen.
Op vele manieren was Klodo's overwinning in 1925 een zeer opvallende gebeurtenis in de rasgeschiedenis. Hij werd zowel in Duitsland als later in Amerika erg veel voor de fokkerij gebruikt, waarbij hij een zeer waardevolle vaderhond bleek te zijn. Hij leverde een goede bijdrage voor de vorming van het juiste type en met name wat betreft de afname van de gemiddelde hoogte van de Duitse Herdershonden.
Zijn verreweg belangrijkste nakomeling was de Sieger van 1929 Utz vom Haus Schütting. In het verslag van de Siegerhauptzuchtschau van dat jaar werd vermeld, dat zich voor de Siegertitel twee halfbroers hadden aangekondigd, namelijk Utz vom Haus Schütting en Alf von der Webbelmannslust, die beide op ongeveer dezelfde voorouders waren teruggefokt. Maar in gangwerk, vooral bij het vrij lopen, bleef zijn halfbroer iets achter. Utz zou de meest besproken hond in de geschiedenis van het ras worden en hij zou verder het middelgrote type hond voortbrengen, zoals dat door zijn vader was begonnen. Aan Utz is meer inkt verspild dan aan enig ander dier en hij is afwisselend gelaakt en geprezen, al naar gelang het standpunt van de schrijver. Het is onmogelijk de volgende perioden van het ras te bezien zonder enigszins uitvoerige bestudering van Utz. Dit omdat hij, of dat nu goed of slecht is geweest, een belangrijke hoeksteen van het ras is geworden. Utz was een hond van een schitterende harmonie, een juiste lichaamsdiepte, een prachtige voorhand en een voortreffelijke ruglijn. Zijn croupe was tamelijk kort en vlak, maar verder vielen er op zijn uiterlijk weinig aanmerkingen te maken. Hij maakte een wat lusteloze indruk, maar in karakter schoot hij niet echt te kort. Als er aan zijn karakter iets mankeerde was dat het gevolg van het leven in een kennel.
Als we op de nakomelingen vna Utz terugkijken, kunnen we vaststellen dat hij regelmatig gelaakt werd voor twee belangrijke fouten: kleurverbleking en karakter. Volgens sommigen kwam de kleurverbleking door Utz alleen voor als hij gekruist werd met andere bloedvreemde lijnen, vooral met Horst von Boll-, Nores von der Kriminalpolizei- en Apollo von Hünenstein-'bloed'. Dit klopt echter niet, want Utz zelf kwam voort uit een teef met kleurverbleking en het is dus duidelijk dat hij in dat opzicht zeker een belangrijke rol moet hebben gespeeld.
Daar hij noch de eerste, noch de enige overbrenger van kleurverblekende factoren was, is het logisch dat andere lijnen ook dit probleem gaven, wat ook de fokkers die geen Utz-lijnen volgden tot hun schade zouden bemerken. Maar Utz gaf in veel gevallen meer vaalgeel door dan bruin, hoewel niet het soort kleurverbleking waarbij de zadelaftekening verdwijnt. Het probleem is dat fokkers ten onrechte kleurverbleking als een teken van zwakte van het gestel zien. Pas als men beseft dat dat niet zo is, wordt de rol van Utz in dit opzicht van minimale betekenis.
Wat karakter betreft moet Utz door zuiver toeval bepaalde fouten geproduceerd hebben. Het is echter interessant te weten, dat in 1952 bepaalde proeven bij het Duitse leger genoemd worden, waarbij de Erich-Klodo-Utz nakomelingen vergeleken werden met die uit oudere bloedlijnen. Daarbij bleek dat zestig procent van de eerstgenoemde lijn goed door de test kwam tegen maar zo'n veertig procent van de andere. Dit is op zijn best slechts een ruwe schatting, maar het geeft wel aan dat de kritiek op Utz vaak overdreven was. Utz bracht bij zijn nakomelingen over het algemeen een goede lichaamsvorm en prima verhoudingen. Maar soms vererfde hij de aanleg voor te korte benen en te lange lichamen, wat voor de fokkers uit de jaren dertig problemen opleverde, die in enkele gevallen tot vandaag de dag nog voortduren.
Zoals de meeste beroemde honden werd Utz door fokkers in die zin misbruikt , dat sommige van hen zijn bloedlijnen overdadig gebruikten. Dat is de tragiek van het honden fokken. Maar het is een fout van de mens en niet van de honden.
De maatschappelijke en politieke veranderingen in de jaren dertig in zowel Duitsland als de rest van Europa had ook zijn gevolgen voor de hondensport. Het aantal gefokte Duitse Herdershonden liep sterk terug en datzelfde gold voor het aantal liefhebbers van het ras. De economische depressie speelde daarbij een belangrijke rol. Het is duur om grote honden te houden en de sociale omstandigheden van die tijd bevorderden de opneming van het ras in de gezinnen niet. Het opkomen van de nazi-partij in Duitsland en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog lieten niet na een stempel te drukken op de fokkerij en ook de export van honden verminderde behoorlijk.
Ofschoon in 1929 de 61 cm kleine Utz vom Haus Schütting nog zo glorieus overwon, maakte Von Stephanitz, die als voorzitter van de S.V. op de Siegerhauptzuchtschau de reuen keurde, het jaar daarop een enorme ommezwaai. Sieger werd toen namelijk de 68 cm hoge Herold aus der Niederlausitz. Herold was een hond met een licht oog, zwakke ellebogen en een grauwe kleur. En hoewel zijn gangwerk goed was, werd hij als Sieger door de fokkers niet goed ontvangen en werd hij weinig gebruikt. Dat weerhield Von Stephanitz er echter niet van om hem ook in 1931 weer tot Sieger te kiezen. Daarna werd Herold naar het Verre Oosten verkocht, wat het Westen alleen maar zeer welkom kan zijn geweest.
In 1932 werd eveneens een onbegrijpelijke Sieger gekozen. Het was Hussan vom Haus Schütting, een zoon van Utz en geboren uit een dochter van Nores von der Kriminalpolizei! Gezien het feit dat op de Siegerhauptzuchtschau stambomen bestudeerd werden (en worden) viel deze bekroning moeilijk te begrijpen. Want hoewel Hussan een goed dier was, misschien zelfs beter dan Utz, was te verwachten dat hij veel gebreken zou vererven. Dat bleek dan ook het geval te zijn en vele afwijkingen werden hem verweten. Ook hij vertrok spoedig naar het Verre Oosten en men huivert als men bedenkt wat daar destijds met het ras gebeurd moet zijn.
Langzamerhand werd de oppositie tegen Von Stephanitz als voorzitter van de S.V. groter en toen het politiek klimaat daarvoor in 1935 'gunstig' was, zorgden zijn tegenstanders ervoor dat hij van zijn functie werd ontheven. Zijn laatste keuring die hij nog mocht verrichten, werd hem door een paar tegenstanders bijna onmogelijk gemaakt. Dit afscheid door Von Stephanitz van een vereniging die onder zijn bezielende leiding groot werd en van een ras dat als zijn geesteskind mag worden beschouwd, is een zwarte bladzijde in deze rasgeschiedenis. Von Stephanitz overleed een jaar later op 22 april 1936, de oprichtingsdag van 'zijn' S.V.
Siegerin 1935 en 1936 werd Stella vom Haus Schütting, een dubbele kleindochter van Utz. Haar vader was namelijk de Sieger 1932 Hussan vom Haus Schütting en haar moeder was Flora von Hills, een dochter van Utz. Deze Stella vom Haus Schütting was de moeder van de Sieger 1936 Arras aus der Stadt Velbert, zodat in dat jaar de moederhond voor de tweede maal de titel Siegerin haalde en haar zoon de titel Sieger kreeg.
In 1938 werd de Siegertitel vervangen door de zogenaamde 'Auslesegruppe', een selecte groep van de beste groep van de beste dieren met de kwalificatie Vorzüglich (Uitmuntend). Deze honden werden daarom Vorzüglich-Auslese, of kortweg VA, genoemd. De bedoeling van deze maatregel was te voorkomen dat de fokkers zich te veel zouden richten op de Sieger, zoals in het verleden steeds gebeurde. Door een grotere spreiding van de top deed men een poging de fokbasis te verbreden. De VA-honden werden aanvankelijk niet op volgorde geplaatst, maar als groep gepresenteerd. Op de Hauptzuchtschau van 1938 bleek dat van de acht reuen in deze geselecteerde VA-klasse, er zes Utz-bloed voerden, zodat de voorgestane fokverbreding nog even op zich zou laten wachten.
Er werd in die tijd dus erg veel gebruik gemaakt van het 'bloed' van Utz vom Haus Schütting. Hij was het ideaalbeeld zoals vele fokkers zich dat hadden gedacht. Bovendien zal het succes van veel Utz-nakomelingen de fokkers hebben aangetrokken; meer zelfs dan de nakomelingen van Klodo vom Boxberg, omdat die toch een harmonische bouw en lichammsdiepte misten. Maar al spoedig bleken ook de nadelen van het intensieve gebruik dat van Utz gemaakt werd. Problemen als pigmentverlies en tandgebreken kwamen voor. Enerzijds als het gevolg van een te nauwe inteelt en anderzijds omdat er voor dieren met deze problemen nog geen fokverbod bestond.
Gelukkig werd een deel van de moeilijkheden door fokkers duidelijk onderkend en maakte men een goed gebruik van zogenaamde 'bloedvreemde' honden. Dit waren honden die grotendeels nog actief bij de kudde werkten, of ouders hadden die hun oorspronkelijke werk nog uitoefenden. Door gebruik te maken van de oude werkhondenstammen werd ook de verwaarlozing van het karakter tegengegaan en kon de gebruikswaarde van veel honden weer verbeterd worden. Door de intensieve inteelt en het voortdurend fokken op schoonheid was hiervan al behoorlijk wat verloren gegaan. Het terugfokken op de zogenaamde oudbloedige dieren had als nadeel dat er iets van het type verloren zou kunnen gaan, maar dat bleek achteraf behoorlijk mee te vallen.