Make your own free website on Tripod.com

Introductie geschiedenis van de verschillende variŽteiten.

Tegen het einde van de 19de eeuw vonden we verspreid over Europa nog grote kudden schapen die door de herder en zijn hond werden geleid. Deze honden toonden onderling nogal wat verschillen, afhankelijk van de streek waarin ze werkten. Met de opkomst van de belangstelling voor de honden en hun zuivere fokkerij aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw ontstonden ook de verschillende rassen. Bij de herdershonden in Duitsland was het Rittmeister von Stephanitz die uit de verschillende Duitse typen herdershonden zijn Duitse Herdershond ontwikkelde in Frankrijk ontstonden de Briard. de Picard, de Beauceron en de Pyreneese herdershond: in Hongarije de Pulli, de Komondor, de Kuvasz, de Mudi en de Punii; in Nederland de Schapendoes en de Hollandse herdershond en in BelgiŽ de Bouvier en de Belgische herdershonden.
 

Er waren aan het einde van de vorige eeuw in BelgiŽ vrij veel -herdershonden van zeer verschillende typen., hoewel de grootte over het algemeen tamelijk gelijk lag, namelijk 50-55 cm, en ze wogen zo rond de 20 kg. Het waren beweeglijke, temperamentvolle honden, die erg gewillig voor de herder maar tegenover vreemden nogal wantrouwend en terughoudend waren. Hun hoofden vertoonden veel overeenkomst met andere herdershonden elders in Europa, hoewel hun voorsnuit minder krachtig en wat spitser was. Hun oren waren hoog op het hoofd aangezet, klein en driehoekig van vorm en vaak iets naar voren gedragen. Ze hadden donkere, iets amandelvormige ogen, en hun uitdrukking was schrander en opmerkzaam. Van bouw waren ze tamelijk vierkant, met een vrij licht beendergestel. De in BelgiŽ voorkomende herdershonden waren gewend aan het ruige klimaat, en het waren uitgesproken werkhonden, die de hun opgedragen taken met erg veel plezier uitvoerden, maar hun verschil in uiterlijk was nog verschrikkelijk groot.

In 1880 werd te Brussel een hondententoonstelling gehouden en er waren meer dan 900, voornamelijk jachthonden, ingeschreven. De uit Duitsland, Frankrijk en BelgiŽ afkomstige herdershonden werden in een zelfde klasse ingedeeld, namelijk allemaal als 'chiens de berger continentaux'. Het waren in totaal 7 honden. In een aparte klasse werden de collies of Schotse herdershonden gekeurd, met een totaal aantal van 10 honden.

Aangezien de gehele hondenfokkerij in de beginperiode in BelgiŽ in handen was van de welgestelden, voor wie het slechts voldoende was een hond te bezitten die uit het buitenland was ingevoerd, valt dit niet te verwonderen. Men haalde de neus op voor honden uit het eigen land en vond dat men pas meetelde als men voor veel geld een hond had geÔmporteerd. Het valt, bezien in dit licht, dan ook niet te verwonderen dat de Collie Club Belge eerder was opgericht dan de Club du Chien de Berger Belge!

Het is voornamelijk de verdienste van prof. Reul van de Veeartsenijkundige Hogeschool te Cureghem (Brussel) dat hij de Belgische rassen uit deze positie redde en ze midden in de kynologische belangstelling plaatste. Samen met Louis Huyghebaert en Van der Snickt heeft hij ervoor gezorgd dat de Belgische herdershonden, zoals we ze vandaag de dag kennen, zich konden ont wikkelen.

Prof. Reul wordt algemeen beschouwd als de nestor van de Belgische kynologie; geen inspanning was hem te groot om in BelgiŽ belangstelling te wekken voor de verschillende variŽteiten van ,meen bodem. Hij was het die op de grote, jaarlijks gehouden vee- deel uitmaakte van de jury en de winnaars moest aanwijzen Ook op vele internationale bijeenkomsten vertegenwoordigde hij BelgiŽ.

Het was de grote wens van prof. Reul om het uiterlijk van de beste variŽteiten door inteelt vast te houden. Hij richtte hiertoe een schrijven aan al zijn oud-leerlingen van de Veeartsenijkundige Hogeschool te Cureghem om deze, inmiddels als veeartsen werkzame, personen uit te nodigen de beste en meest typische honden op te zoeken en hun bazen te vragen met deze dieren op een speciale tentoonstelling in Cureghern te komen.

Zo gebeurde het dat daar op 15 november 1891 in totaal 117 Belgische herdershonden bijeen waren. Over deze 117 honden schreef prof. Reul: 'Wat zagen ze er aardig uit! Geen twee honden, al waren het broers, die op elkaar geleken. Het was om te wanhopen ooit een typische hond te kunnen voortbrengen met zulk een mengelmoes. Niettegenstaande werd het vraagstuk aangepakt door eenige pasgedoopte kenners, en door hunne inbeelding geholpen kwamen de leden van het opzoekingskomiteit tot het besluit dat volgens alle waarschijnlijkheid het Belgische schepershondenras, na van menig vreemd bloed te zijn gezuiverd, zich laat verdelen in drie klassen volgens het pak dat hun tot kleed dient: de lang-, de ruw- en de kortharigen. .

Vooral de kleur van de honden was erg verschillend, en liep van zwart tot grijs of bruin in allerlei tinten. De langharige honden waren overwegend zwart of soms bruin tot wildkleurig, de kortharigen overwegend bruin of beige, meestal met donkere aftekeningen aan het hoofd, en de ruwharigen waren gewoonlijk grijsachtig.

Nadat alle herdershonden, daar aanwezig, van alle slag en haarvariŽteiten, aandachtig waren bestudeerd en vergeleken, besloot de op 29 september 1891 te Brussel opgerichte Club du Chien de Berger Belge in de algemene vergadering van 2 april 1892 de raskenmerken, die door vergelijkende studies van prof. Reul verkregen waren, als algemeen geldend aan te nemen.

Deze raskenmerken werden voor het eerst in 1898 in een Vlaamse vertaling uitgegeven door de Mechelse Club tot Verbetering van den kortharigen Schaapshond, een afdeling van de Club du Chien de Berger Belge. Ter vergelijking met de huidige raskenmerken, die in hoofdstuk 3 van dit boek uitgebreid aan de orde komen, volgen hieronder de eerste vastgestelde 'Kenmerken van den Belgische Schepershond':

Belgisch ras:

algemeen uitzicht: slim, gehoorzaam, getrouw; sterk, ieverig, middelmatige gestalte: 55 cm.

kop: lang, spitse muil; snuit zwart; voorhoofd plat en breed; kloof tusschen neus en voorhoofd: niet diep; oogen: slimme uitdrukking, bruinachtig of geelachtig; ooren: driehoekig, halflang, recht en stijf.

hals: sterk, niet te lang.

ruglijn: recht, breed, kort.
staart: dik, een weinig gekrold. borst: smal.
ribbenkas: hoog, diep, niet te breed.
schouder: lang, zeer schuins.
elleboog: waterpas.
voorarm: lang.
buik: noch afvallend, noch opgetrokken.
bil en dij: gespierd.
been: lang.
stand: flink, vaste voet, rond, zoals bij de kat.
kleur: zwart, peper en zout, bruin, bruin getigerd, vaal.
 

Soorten:

Langharige: meest aangenomen kleur: zwart; haar: zacht, redelijk lang. Dik bezet aan de oorholte; aan den elleboog en het achtergedeelte van den voorarm; aan den hals: kraag; aan den staart: pluimstaart. Kort haar op den kop; aan den benen; op de oren. Ruwharige. ruw haar, halflang, verward. Meest peper- en zoutkleur; baard aan de lippen; korte ruwe haren aan de wenkbrauwen; geen pluimstaart; kort, zacht, vaal of bruin getigerd, zwarte muil.

Kortharige: glad haar op den kop; op de beenen; op de ooren. Halflang haar aan den hals: kraag, aan den staart: vorm van een koornaar.

Prof. Reul gaf daarmee aan wat hij zich als ideaal type voorstelde, en hij gaf de bezitters van de Belgische herdershonden het advies om uitsluitend met honden van dezelfde haarvariŽteit te paren zonder verder op de kleur te letten. Prof. Reul wilde hiermee door inteelt zorgen voor het vastleggen van het type van de Belgische herdershonden.

Onder de bovenvermelde indeling: lang-, ruw- en korthaar zonder onderscheid van kleur waren de Belgische herdershonden tot 1899 op de tentoonstellingen te zien.

Bezien in het licht van de 'belangrijkheid' van de buitenlandse honden is het dan ook goed te begrijpen dat de Belgische herdershond in de eerste jaren van zijn wedergeboorte niet geheel 'au serieux' werd genomen. De Sociťtť Royale St. Hubert' nam de Belgische herdershond niet in haar stamboek op en het was ,slechts na een vernederende 'stage' van een tiental jaren dat hij, voor wat deze inschrijving betrof, eindelijk op gelijke voet werd gesteld, met de vreemde, maar al lang als ras erkende Schotse herdershond, de aristocratische collie', schreef Louis Huyghebaert in 1899.

Vooraleer hij tot dit 'ridderschap' werd toegelaten, had de Belgische herdershond een voornaam uiterlijk moeten aannemen. Dit werd, op raad van prof. Reul, verkregen door inteelt en 'uitlezing'.

Het zou nog tot 1900 duren voordat de eerste twee variŽteiten Belgische herdershonden, te weten de Mechelaars en de Groenendaelers, in het stamboek (= L.O.S.H., Livres des Origines St. Hubert) van de Sociťtť Royale St. Hubert zouden worden opgenomen. We zullen nu eens gaan kijken naar de geschiedenis van de verschillende variŽteiten.